De Sonora-gevangenis

Een kort verhaal over Emma’s jaren in de vrouwengevangenis Sonora in Noord-Amerika, waar ze in belandt nadat ze werd gedwongen om cocaïne te dealen. Door haar ontsnapping, waar zelfs de gevaarlijkste groep vrouwen aan meewerkt, komen de persoonlijke beweegredenen van de gevangenisdirecteur aan het licht.

 

De Sonora-gevangenis

Ik kan me de eerste dag nog goed herinneren. Het was verschrikkelijk. Met een busje waaruit alle loszittende onderdelen waren verwijderd werden we via een lange stoffige weg naar de Sonora-gevangenis gereden. We, de inzittenden, vrouwen van verschillende leeftijden, ieder z’n eigen misdrijf. Mijn lichaam en geest zijn uitgeput. We zitten al uren in een veel te heet busje. De zure stank van zweet en wanhoop prikt in mijn neus en ogen. Mijn hoofd deint heen en weer, de spieren te uitgeput om te functioneren.
Doordat we afremmen, kom ik weer bij. We zijn er. De twee bewakers die voorin en achterin de bus zitten, duwen ons ruw naar buiten en laten ons in een rij staan. De boeien aan onze enkels en handen maken het moeilijk om snel te lopen. We gaan door het eerste hek en moeten over een langgerekt stuk grond naar het tweede hek, de werkelijke ingang. Het langgerekte stuk is zo lang zodat de cipiers aan weerszijden van het stuk grond genoeg tijd hebben om je neer te schieten als je er vandoor gaat. Binnen is het kil. De plotselinge koelte is een klap in mijn gezicht. Ik kan bijna horen hoe de haren op onze armen overeind gaan staan. Al onze spullen worden afgepakt, alles wordt bewaard.
“Hoofd voorover”, beveelt een stem. Ik kan niet zien wie het zegt, ik krijg er ook geen tijd voor, want mijn hoofd wordt direct voorover geduwd en vastgehouden door twee handen. Een derde hand vliegt met een tondeuse over mijn hoofd. Ik zie lokken op de grond vallen.
Daarna moeten al onze kleren uit. We staan weer op een rij, iedereen kijkt naar de grond. De boeien zitten nog altijd even strak. De cipiers geven ons een douche van isopropanol en spuiten ons daarna af met ijskoud water. Onze nieuwe kleren, een uniseks broek en trui, worden aangereikt. Ik wurm mijn natte lijf erin. Ieders ogen zijn continu op de grond gericht. Weer op een rij. Indeling van cellen. Als je geluk hebt, kom je de eerste maand bij De Moeder, hoorde ik eens. Heb je geen geluk, dan overleef je het misschien niet. Ik krijg het allemaal niet meer mee, mijn hoofd zit zo verstopt. Wat maakt het ook uit. Het is toch allemaal voorbij. We worden naar onze cellen gebracht. Ik word ruw in de mijne geduwd. Door de grote broek struikel ik en smak op de grond. Ik durf niet te bewegen, heb er ook geen kracht voor. De kou trekt als het gif van een adder door mijn botten. Al gauw val ik in slaap, of ik zak weg, ik weet het niet meer.

 

Ze slaapt een hele poos op de grond. Er is geen nieuwkomer die de eerste nacht slaapt. Zij wel. Dat kan twee dingen betekenen: ze heeft elke vorm van hoop verloren of ze is hier al bekend en heeft niks te vrezen. Het is op deze plek een voorrecht om alles over iedereen te weten, zelfs als ze hier net aangekomen zijn. En deze is hier gloednieuw. Verloren hoop, dus. Ik besluit haar onder mijn hoede te nemen. Het is een sterke, deze. Met de muffe deken van het celbed bedek ik haar lichaam. Ik kan vannacht wel zonder deken slapen. Morgen is zij stram en pijnlijk van verdriet. Gelukkig heb ik de dunne matras nog.

 

De eerste maanden zijn onbeschrijflijk. Er gaat geen dag voorbij zonder pijn in mijn lichaam. Er wordt gejat, geknokt, verkracht, gedeald, gejaagd, gemoord. Ik leef als een zombie. Het doet me allemaal niks. Ik ben mijn kinderen verloren. Ik wil alleen maar terug naar mijn kinderen. Twaalf jaar moet ik uitzitten in deze hel. Het is een wonder dat ik overleef. Hoe erg sommige mishandelingen ook waren, ik ben nooit in levensgevaar geweest. Achteraf kwam ik erachter dat ik dat vanaf het begin te danken had aan Moeder. Zij hoeft maar een blik te werpen met haar halfblinde ogen en iedereen deinst achteruit. Na zeven jaar en drie maanden komt er verandering. Ik ben minder vaak het slachtoffer en kan deelnemen aan de ruilhandel binnen de gevangenis. Ik heb nu dingen te bieden en kan onderhandelen. Ik help anderen en zij helpen mij. De laatste jaren worden minder erg dan de eerste.
Toen ik nog twee jaar moest zitten, mocht ik om de twee maand voorkomen bij de directie. Zij vroegen mij hoe het ging, wat ik heb gebeterd aan mezelf en of ik weer de fout in zou gaan. Ik vertelde elke keer opnieuw hetzelfde verhaaltje. De directie vond dat ik goed mijn best deed en al jaren goed gedrag vertoonde. Maar de directeur weigerde telkens. Hij en ik mochten elkaar niet. Een klein mannetje met een veel te grote snor. Toch bleef ik bij elke weigering beleefd. Tot ik nog anderhalf jaar moest zitten. Het gesprek met de directie is vandaag. Met tegenzin sjok ik met mijn twee, onderhand vaste cipiers naar de kamer van de directeur. Thom heet hij, zijn achternaam weet ik niet. Hij is vaak nerveus en durft de gevangenen nooit aan te kijken. Hij komt ook nooit in de gevangenis zelf. Dan zou hij zien wat voor een rottende plek in hel het is.
De directie zit keurig op een rij achter hun bureaus, Thom in het midden.
‘Hallo Emma, fijn je weer te zien’, zegt de linker. Het is mevrouw Boltrow, een lief mens. Van haar weet ik juist haar voornaam niet. Maar dat is ook niet nodig.
‘Dag, Emma. Ga zitten.’ De rechter wijst op de stoel tegenover de directie. Het is een vriendelijke man, ik geloof dat hij Chopis heet. Ik ga zitten. Ik voel dat Thom mijn bewegingen volgt. Zij stellen me de vragen en ik geef mijn antwoorden. Ze overleggen even en ik zie al aan de gezichtsuitdrukking van Thom dat hij me niet laat gaan. Er ploft iets in mijn borstholte. Bloed stroomt naar mijn wangen.
‘Emma, ik zie redenen je geen kans op vervroegde vrijlating te geven. De directie heeft verschillende argumenten aangeleverd in jouw voordeel, maar ik doorzie jouw plannetje. Cipier, mevrouw Bards kan terug naar de cel.’ Thom draait zich met zijn rug naar me toe. Ik ontplof.
‘Je snapt er niks van! Ik moet terug naar mijn kinderen, ze hebben me nodig, klootzak! Ze hebben hun moeder nodig!’ De woorden worden begeleid door spetters speeksels. Ik bijt op mijn trillende lip. Niemand weet dat ik kinderen heb, het is gevaarlijk om een zwakte te hebben op deze plek. Op het moment dat ik het woord ‘kinderen’ noem, zie ik Thom verstrakken. Zijn spieren zijn aangespannen. Een moment lang is het stil, alleen de cipier, Thom en ik staan. Chopis en Boltrow kijken me ontsteld aan. De cipier heeft haar ogen op Thom gericht.
‘Vanwege agressie naar de directeur ben ik genoodzaakt je nog een jaar langer vast te houden’, fluistert Thom terwijl hij op zijn notitieblok krabbelt.
‘Nee!’ De stem komt van ver weg. Ben ik dat? Ik wil hem aanvliegen, maar voordat ik iets kan doen, klemt er een ijzeren arm om mijn middel. De cipier neemt me mee terug naar mijn cel, ik huil als een kind. Snot loopt over mijn kin.
‘Stil toch, straks horen ze je. De Moren maken je af,’ sist de cipier.
In mijn cel ga ik plat op de grond liggen, laat de kilte door mijn botten trekken. Alleen mijn tranen voelen heet op mijn wangen.

 

Het piepen van de magnetron haalt hem uit zijn gedachten. Zijn avondeten is klaar. Hij installeert zich voor de televisie en begin te eten. Het smaakt hem niet, zoals altijd. Het interieur van de kamer is smakeloos, grauw. Niemand krijgt het ooit te zien, hij zal er nooit wat aan veranderen. Hij zapt naar het nieuws, maar zijn gedachten dwalen al gauw weer af. Emma Bards wilde naar haar kinderen… Ze heeft kinderen. Net als hij ooit had. Hij zou alles doen om zijn zoon terug te zien. Maar dat kan niet, hij is dood. Cocaïne. Dood door het spul waar Emma haar geld mee verdiende. En Emma heeft kinderen. Als het aan hem ligt, ziet ze haar kinderen nooit weer. Kinderen mogen niet het slachtoffer worden van drugs, vooral niet als hun moeder ermee dealt. Hij is tevreden over zijn besluit om haar nog langer gevangen te houden. Macht doet hem goed. Toch zit het hem niet lekker. Haar ogen waren zo kil, normaal lijkt Emma zo rustig. Vriendelijk, bijna. Ze vertoonde inderdaad altijd goed gedrag. Maar hij kon de reden van zijn zoons dood simpelweg niet zomaar weer vrijlaten. De woede die hij vanmiddag bij Emma ontketende, herkende hij direct. Ooit was hij zelf ook zo boos en machteloos. En nu is hij verbitterd. Wat nou als Emma achter hem aan komt als ze vrij is straks? Dan zal ze hem zeker weten vermoorden. Een rilling trekt over zijn hele lichaam. Zijn eten is koud, hij gooit het weg, neemt een hete douche en probeert zijn gedachtes te kalmeren. Het lukt niet en hij ligt de hele nacht wakker.

 

‘Kalm aan, meisje’, probeer ik tevergeefs. Ik word oud. Emma is compleet over haar toeren. De Snor heeft alweer geweigerd, en erger: haar tijd verlengd. De hele gevangenis weet er onderhand van af. Emma zet haar angst voor De Moren opzij en spreekt ze aan. De ‘Moren’ is een verbastering van ‘Moorders’, de groep vrouwen die de ergste misdaden op hun geweten hebben. Het is de gevaarlijkste groep in de gevangenis. Ze doen Emma niks omdat ik dat zeg. De Moren luisteren naar haar en brengen ideeën in om te ontsnappen. De gruwelijkste dingen worden besproken. Ik hoor het allemaal aan. Op een gegeven moment gaat het nergens meer over, er worden bloedbaden besproken van heb ik jou daar.
‘Nee,’ zeg ik. Meer hoef ik niet te zeggen. Iedereen is stil en kijkt mij aan.
‘Moeder?’ vraagt één van de Moren. ‘Emma wil geen doden. Ze wil gewoon ontsnappen.’ Emma knikt bijna onzichtbaar.
‘Emma, neem rust. Wij bedenken wel wat’, zeg ik. De Moren knikken instemmend. Emma loopt met tegenzin weg. Van achteren lijkt ze net een klein meisje, zo breekbaar. Ze kan hier niet lang meer blijven.

 

De weken na mijn incident met De Snor zijn onrustig. Iedereen treft voorbereidingen. De Snor merkt niks, hij komt nooit in de gevangenis en merkt het gegons van opwinding niet. Het is door de hele gevangenis hoorbaar, bijna voelbaar. Precies vier maanden na het incident is het zover. We, Moeder en de Moren en ik, werken met alle routines mee en laten niks merken. Bij het ontbijt zal er iemand zijn die heisa maakt om het toetje. Dat is ons signaal. Moeder heeft de cipiers in de kantine omgekocht met sigaretten en brieven. Vier van de sterkste Moren schieten er tussenuit. Ik moet kalm blijven, maar mijn handen zijn klam en de spieren in mijn nek zijn stijf. Mijn hart begint sneller te kloppen. Het moet aan me te zien zijn. De ruzie om de pudding loopt uit in een groot gevecht, iedereen wil meedoen. Of niet, maar voor Emma doet iedereen mee. De cipiers wachten tot De Snor arriveert, dan komen ze op zijn teken in actie. Ze roepen hulp in van de dichtstbijzijnde cipiers. Tegen die tijd ben ik al lang weg. Ik heb vrij baan omdat alle cipiers in de kantine zijn vanwege het gigantische gevecht, dat al lang niet meer om het toetje gaat. De vier Moren hebben de bewakers bij de hekken van de ingang uitgeschakeld en ik zie ze rennen naar de bewakers in de schiettorens. Eén Moor rent naar het knoppenpaneel en opent de personeelsingangen, de grote hekken hebben een cijfercode.
‘Snel, Emma! Ik loop met je mee om de bewakers uit te schakelen bij de ingangen’, roept de Moor bij het knoppenpaneel. Ik ken haar als Bobo. Vluchtig kijk ik naar de schiettorens. Duimen worden omhoog gestoken, het is in orde. We schieten door het eerste hek, de Moor bespringt de bewaker en houdt hem in een greep waardoor hij het bewustzijn verliest. De tweede bewaker laat zich minder gemakkelijk overmeesteren en de Moren in de torens zijn genoodzaakt om de bewaker neer te schieten met een verdovingsgeweer. Het pijltje raakt per ongeluk ook de Moor, de worsteling was te wild om goed te kunnen mikken. Ze lacht flauwtjes en wenst me geluk. Dan zakt ze samen met de bewaker in. De sirene begint te schallen en ik besef me dat ik moet rennen. Jaren heb ik elke dag en nacht getraind voor dit moment. Elke dag liep ik in ons uurtje buiten zo hard als ik kon, zo lang als ik kon. Iedere nacht trainde ik mijn spieren. Nu komt het erop aan.

 

Uit het raam kijk ik naar het stipje Emma. Ze rent voor haar leven. De ontsnapping was chaotisch en een enorme gok, maar dit is niet haar grootste uitdaging. De Sonora-woestijn moet ze nog overleven. Ruim 260.000 vierkante kilometer van het heetste en droogste stuk land in Noord-Amerika. ‘Succes, meisje,’ mompel ik.

 

Ik heb misschien wel dagen gelopen. Eerst durfde ik niet te stoppen, ik rende aan één stuk door. De tweede middag zakte ik in. Het was te warm, ik had teveel dorst. In de schaduw rustte ik even uit. Gelukkig is er in deze woestijn redelijk veel vegetatie. Ik zie aguaro- en opuntiacactussen. De eerste soort zijn erg groot en voor zover ik weet kan alleen het sap gedronken worden. Bij de opuntiacactussen kun je de jonge schijven opeten. Met een steen schraap ik de huid van de cactus eraf. Er zitten minuscule haakjes en naaldjes op de cactus. Op hoop van zege eet ik een paar schijven. De nacht valt en ik moet weer gaan hardlopen. Het kwik daalt ongelooflijk hard en ik moet mijn best doen om te blijven rennen, anders raak ik onderkoeld. Overdag zoek ik een goed beschutte plek en slaap ik. Ik ben denk ik twee weken onderweg als ik eindelijk tekens van de beschaafde wereld zie. Een papiertje, een plastic zakje. Dan zak ik in.
Wanneer ik wakker word ben ik bang dat ik terug ben in de ziekenboeg van de gevangenis, het ziet er even troosteloos uit. Maar het is het ziekenhuis van Californië. Het staat op de jasjes van de zusters. Naast me staat een jongeman met een vrouw. Ze kijken naar me. Of beter gezegd, ze bestuderen me. Ik wil wat zeggen, maar mijn stem laat het afweten.
‘Sst, het is goed. Je bent veilig,’ zegt de jongeman.
‘Het is in het nieuws geweest. De directeur heeft je ten onrechte zes jaar te lang vastgehouden. Hij moet een boete betalen en jij krijgt een vergoeding, mam.’ De vrouw kijkt me vriendelijk aan.
Mam? Het duizelt me. Ik zak weer weg. Later kom ik te weten dat het mijn kinderen zijn, Josh en Lisa. Achttien jaar zat ik gevangen… terwijl ik maar twaalf jaar heb gekregen. De buitenwereld wist van niets. Nu weten ze het. Ik hoef niet weer naar de gevangenis omdat ik zelf niemand kwaad heb aangedaan tijdens mijn ontsnapping. De ontsnapping zelf wordt geoorloofd omdat ik de tijd die er daarvoor zou krijgen in feite al heb uitgezeten. Het maakt me niet uit. Ik ben nu vrij. Ik mag niet op mezelf wonen, daarvoor ben ik te instabiel. Mijn kinderen hebben nu elk hun eigen leven en ik wil hen niet lastig vallen. We spreken elke week twee keer af en ze vertellen me alles over hun jeugd. Alles waar ik niet bij kon zijn. Het is alsof ik ze opnieuw moet leren kennen. Het is voor hen ook vreemd om weer een moeder te hebben. Het geld dat ik maandelijks ontvang als vergoeding, gebruik ik om leuke dingen te doen met mijn kinderen. We gaan naar films, pretparken, zwembaden, uit eten, allerlei dingen die ik vroeger heb moeten missen. Ze vinden het heerlijk. Wat overblijft van het geld, stuur ik naar Moeder. Ik heb haar gevraagd of zij het wil verdelen onder de Moren die me geholpen hebben. Daarnaast schrijf ik elke week naar Sonora, al weet ik niet of ze aankomen. Ik zou alles moeten afsluiten, dit gruwelijke hoofdstuk, maar ik ben teveel verschuldigd aan iedereen die nog vast zit. Uit schuldgevoel blijf ik schrijven.

Er komt nooit antwoord.